Het in januari 2022 gepubliceerde onderzoeksboek "Les fossoyeurs" (De grafdelvers) van Victor Castanet werpt een licht op de meer dan bedenkelijke leef- en werkomstandigheden in de woonzorgcentra van de multinational Orpea. Met de PVDA verzamelden we talrijke getuigenissen hier in Brussel en een aantal gelijkenissen tussen Franse en Belgische woonzorgcentra zijn opmerkelijk. Ook bij ons is het personeel onderbemand en leven de bewoners in soms onmenselijke omstandigheden. Een gevolg van twee belangrijke factoren: de toenemende controle van enkele multinationals over de ouderenzorg en het structurele gebrek aan personeel.

Het ene schandaal na het andere

Tijdens de eerste coronagolf was de vaststelling pijnlijk. In Brussel waren bijna twee derde van de slachtoffers van het coronavirus rusthuisbewoners. Het gebrek aan beschermingsmateriaal, het personeelstekort en het ontbreken van duidelijke procedures tijdens een pandemie hebben geleid tot de dood van honderden kwetsbare mensen.

Bijna een jaar later bracht het RTBF-programma "Investigation" een reeks schandalen aan het licht in de woonzorgcentra. Zo was er bijvoorbeeld de slechte kwaliteit van de maaltijden. Sommige directies beperkten de dagelijkse maximumkostprijs tot 3 euro per persoon. Ook werd onthuld dat werkgevers de resultaten van hun coronatests voor werknemers verborgen hielden, zodat ze zouden blijven doorwerken.

Begin 2022 werd dit negatieve beeld bevestigd met het boek "Les fossoyeurs" van Victor Castanet. Deze onderzoeksjournalist beschrijft de realiteit van de levensomstandigheden die de multinational Orpea oplegt aan de bewoners in zijn Franse woonzorgcentra. De lijst is eindeloos: essentiële zorg die dagenlang uitblijft, fysiotherapiesessies die nooit plaatsvinden, ondervoeding, mensen die urenlang in hun eigen uitwerpselen liggen omdat luiers voor volwassenen gerantsoeneerd zijn...

Sinds de publicatie van het boek bevestigden tientallen getuigenissen dat deze problemen ook bestaan in de Belgische woonzorgcentra van Orpea. Ook opmerkelijk is dat een aantal problemen terugkomen bij gelijkaardige multinationals uit de sector, denk maar aan Korean. Terwijl vakbonden en werknemers deze achteruitgang al jaren aan de kaak stellen heeft de Brusselse opeenvolgende regeringen de commercialisering van de sector toegestaan.

Te veel Brusselse woonzorgcentra in handen van multinationals

In Brussel is het aandeel van commerciële rust- en verzorgingstehuizen nu goed voor 61%[1]van het aanbod. Dat is veel meer dan in Wallonië (54%) of Vlaanderen (21%). Ongeveer de helft van deze commerciële woonzorgcentra wordt beheerd door een van de volgende drie multinationals: Orpea, Korian en Armonea. De rest van de woonzorgcentra is verdeeld over de publieke en de particuliere sector, die in Brussel respectievelijk 22% en 17% vertegenwoordigen.

De situatie in de hoofdstad is niet altijd zo uit balans geweest. In 1999 werd het merendeel van de Brusselse woonzorgcentra beheerd door de overheidssector. De geleidelijke verovering van de sector door de grote privéconcerns kan zowel worden verklaard door de winstzucht van deze multinationals en hun aandeelhouders, die in de woonzorgcentra een onuitputtelijke bron van inkomsten hebben gevonden, als door de politieke keuze van de verschillende Brusselse regeringen, een keuze voor de vrije markt. In Wallonië is het aantal bedden dat aan commerciële woonzorgcentra wordt toegekend sinds 1998 bij wet beperkt tot maximaal 50%.

Volgens de PVDA mag de ouderenzorg geen economische sector zijn zoals alle andere. Het gaat hier niet om een sector die winst moet maken voor de aandeelhouders, maar om een openbare dienst die de samenleving verschuldigd is aan onze ouderen.

Dividenden ten koste van overheidsbegrotingen, bewoners en personeel

Om voldoende winst te maken, steunen deze grote concerns in de eerste plaats op bijzonder hoge tarieven. De prijzen die worden aangerekend in de commerciële woonzorgcentra zijn veruit de hoogste in de sector. Dit geld van de bewoners wordt eerder gebruikt om de dividenden van de aandeelhouders van Orpea en anderen te spekken dan om de kwaliteit van de zorg te garanderen. Binnen een logica van particuliere winst is dit onvermijdelijk.

Orpea is dus de wereldleider in wat zij, niet zonder cynisme, de "afhankelijkheidsmarkt" noemen. De multinational is honderden miljoenen euro's waard: in 2021 boekte hij 2,9 miljard euro omzet en 102 miljoen winst, waarvan 58 miljoen aan dividenden aan aandeelhouders werd uitgekeerd. Tot deze aandeelhouders behoren enkele van de rijkste families van België (Boël) en Frankrijk (Peugeot), alsmede 's werelds grootste beleggingsfondsen, zoals BlackRock en The Vanguard Group .

Orpea en co boeken maximale winst door hun kosten te verlagen: personeelskosten, onderhoudskosten, extra zorg en diensten voor de bewoners. Naast de reeds vermelde beperkingen wat betreft luiers voor volwassenen of de kwaliteit en de kwantiteit van het voedsel, heeft dit ook gevolgen voor de kwantiteit en de kwaliteit van de culturele en fysieke activiteiten die aan de bewoners worden aangeboden.

Een van de grootste besparingen gaat ten koste van het personeel. Enerzijds wordt niet-verplegend personeel in woonzorgcentra over het algemeen slecht betaald en zijn hun contracten vaak onzeker. Anderzijds houden de commerciële woonzorgcentra het aantal werknemers zo laag als de wetgeving toestaat (zie volgend punt) en nemen zij aanzienlijk minder personeel in dienst dan de woonzorgcentra in handen van de overheid of verenigingen. De normen voor het aantal door de overheid gefinancierde personeelsleden zijn verouderd en stemmen niet overeen met de realiteit van de woonzorgcentra. Deze instellingen kunnen daarom niet zonder extra personeel. Maar er bestaan grote verschillen tussen de sectoren: in 2019 hadden de commerciële woonzorgcentra slechts 29% aan extra personeelsleden, tegenover 40% voor de particuliere woonzorgcentra en 61% voor de openbare woonzorgcentra. De werkdruk voor het personeel is duidelijk niet dezelfde.

Kortom: de dividenden van de aandeelhouders worden opgepompt door kostenbesparingen op de rug van het personeel en van de bewoners. Dit ondanks het feit dat Orpea en zijn concurrenten aanzienlijke directe of indirecte overheidsfinanciering ontvangen.

  1. In eerste instantie ontvangen zij steun van de federale regering via de sociale Maribel. Een mechanisme om private spelers ertoe aan te zetten extra personeel in dienst te nemen in ruil voor lagere sociale zekerheidsbijdragen. In het geval van Orpea betekent dit een jaarlijkse vermindering van de bijdragen met 6,9 miljoen euro.
  2. De regionale overheden financieren de lonen van het personeel dat in de personeelsnormen is opgenomen (zie hieronder) en de zorguitrusting[2]. Voor 2019 gaat het alleen al in Brussel om meer dan 33,5 miljoen euro voor Orpea, 37 miljoen voor Korian en 10,5 miljoen voor Armonea.
  3. Daarnaast is er het geld dat de OCMW's aan de commerciële woonzorgcentra betalen voor het verblijf van OCMW-uitkeringsgerechtigden die geen plaats kunnen vinden in openbare inrichtingen. In 2016 betaalden de OCMW's van de 19 Brusselse gemeenten ongeveer 5 miljoen euro aan de private commerciële en particuliere woonzorgcentra.
  4. Tot slot kan men hier nog de steun aan toevoegen die werd ontvangen om het hoofd te bieden aan de aanzienlijke verliezen na de lege bedden vanwege de vele coronasterfgevallen. Voor 2020 ontvingen de drie multinationals bijna 4,4 miljoen euro aan subsidies om hun Brusselse vestigingen te compenseren.

Als je het geld dat de 19 gemeenten en het Brussels Gewest alleen al betalen bij elkaar optelt, komt er meer dan 80 miljoen euro uit de staatskas om de woonzorgcentra van de 3 multinationals draaiende te houden. Hoe kan je verklaren dat deze grote spelers zo veel financiële steun van de overheid ontvangen, hun bewoners verwaarlozen, het personeel onderbemand en tegelijkertijd grote dividenden uitkeren aan hun aandeelhouders? Voor de PVDA mag een overheid de sleutels van een sector die openbaar zou moeten zijn niet in handen geven van commerciële beursgenoteerde bedrijven.

Het personeelstekort in woonzorgcentra sleept al te lang aan

In woonzorgcentra bestaan personeelsnormen die het minimumaantal personeelsleden per bed voorschrijven. Dit personeel wordt door de overheid gefinancierd. Boven dit minimum is het de verantwoordelijkheid van de directie van de instellingen om meer personeel aan te werven. Deze personeelsnormen zijn echter al zo'n dertig jaar niet meer gewijzigd en komen niet overeen met de huidige behoeften. In veel woonzorgcentra heerst een personeelstekort, aangezien de directie niet verplicht is om meer personeel aan te werven.

Deze situatie heeft een rechtstreekse invloed op de arbeidsomstandigheden van het personeel en daardoor op de kwaliteit van de dienstverlening aan de bewoners. Werknemers getuigen al jaren dat ze te weinig tijd krijgen om bewoners eten te geven of hen te helpen met elementaire lichaamsverzorging. Het komt regelmatig voor dat verzorgers er 's avonds en 's nachts alleen voor staan met tientallen, soms zeer hulpbehoevende, ouderen.

In de afgelopen twintig jaar is het personeelstekort steeds nijpender geworden. Ouderen komen, in tegenstelling tot vroeger, steeds later en in slechtere gezondheid in de instelling aan. Deze situatie wordt in Brussel nog versterkt door het feit dat een groter deel van de bevolking in een precaire situatie verkeert en een slechte gezondheid heeft.

Het personeelstekort, dat al structureel was vóór de pandemie, nam in 2020 uiteindelijk ongekende proporties aan. Verzorgers die positief testten op het virus werden gedwongen weer aan het werk te gaan om hun collega's en de bewoners niet in de steek te laten. Werknemers hebben ontelbare verlofdagen moeten opgeven (inclusief ouderschapsverlof). In sommige gevallen was meer dan 50% van het personeel tijdens de eerste golf afwezig wegens ziekte. In verschillende woonzorgcentra moest het leger zelfs versterkingen sturen om een volledige ineenstorting te vermijden.

Personeel vecht voor betere arbeidsomstandigheden

Hoewel het zorgpersoneel zijn arbeidsomstandigheden al jaren aan de kaak stelt, heeft de coronacrisis de strijd van de sector in een stroomversnelling gebracht en is de mobilisatie in Brussel vanaf de zomer van 2020 op gang gekomen. Na een jaar van acties en betogingen begon die druk eindelijk vruchten af te werpen: er werd 57 miljoen vrijgemaakt voor het personeel van de Brusselse woonzorgcentra. De personeelsnormen zijn echter niet verbeterd, en zijn nog altijd te laag, ondanks herhaalde oproepen tot hervorming. Onder druk kondigt minister van Volksgezondheid Alain Maron (Ecolo) aan dat de normen binnen enkele maanden zullen worden herzien. Het valt nog te bezien of er gehoor zal worden gegeven aan de oproep van de werknemers.

Verhoging van de personeelsnormen is dringend nodig, deze hervorming mag niet langer op zich laten wachten. De Brusselse regering zal echter een politieke keuze moeten maken en de nodige financiële middelen vrijmaken om snel personeel aan te werven. Dit zou een overwinning en een opluchting zijn voor de bewoners, hun families en de werknemers in deze essentiële maar zwaar beproefde sector.

De publieke sector op langere termijn versterken

Nu het ene schandaal het andere opvolgt, moet minister van Volksgezondheid Alain Maron onmiddellijk maatregelen nemen om de inspectiediensten te versterken en te hervormen. De kwaliteitscriteria voor inspecties zijn momenteel te eng: zij omvatten niet de tijd die met de bewoners wordt doorgebracht, de kwaliteit van de activiteiten of de psychomotorische ondersteuning. De inspecteurs moeten tijdens hun inspecties ook overleg plegen met de vakbonden en de bewonersraden. Het moet ook mogelijk worden om sancties op te leggen, waaronder financiële, wanneer problemen worden geconstateerd. Ten slotte moet er maximale transparantie zijn over deze overtredingen: toekomstige bewoners en hun naasten hebben het recht te weten waar ze terecht komen. Als de overheid particuliere woonzorgcentra financiert, is het normaal om controles uit te voeren en resultaten te eisen die beantwoorden aan de behoeften van de bevolking.

Maar afgezien van de strengere controles en de noodzaak om meer personeel aan te werven, moet vooral de rol van beursgenoteerde multinationals in de ouderenzorg ter discussie worden gesteld. Kunnen we het ons nog veroorloven dat onze ouders en grootouders verwaarlozing riskeren en dat hun verzorgers uitgebuit worden, in naam van de dividenden van een paar multinationals? Nee.

Opvallend is dat de personeelsnormen in publieke woonzorgcentra hoger liggen dan in particuliere centra: openbare woonzorgcentra hebben gemiddeld meer personeel in dienst dan de wettelijke personeelsnormen, omdat er geen aandeelhouders hoeven worden uitbetaald en er meer rekening wordt gehouden met het welzijn van de bewoners en de werknemers. Er zijn dus veel voordelen verbonden aan een massale verhoging van het aandeel openbare bedden in woonzorgcentra. Daarom moet de versterking van de publieke sector een prioriteit worden. We kunnen niet langer wachten op de goodwill van de Orpea's van deze wereld. De sector weer in handen van de overheid geven betekent de controle over de kwaliteit van de zorg voor onze senioren terugkrijgen.

 

[1]           Rombeaux, J-M., "Maison de repos et maison de repos et de soins. Radioscopie du secteur public 2017", studie, Fédération des CPAS/Brulocalis, Union des villes et des communes de Wallonie ASBL, 2017.

[2]           Orpea en consorten betalen alleen voor een deel van het extra zorgpersoneel en de mensen die de andere operationele taken uitvoeren (keuken, schoonmaak, administratie).