Audits van sociale huisvesting: de Brusselse regering doet een beroep op een "veroordeelde" consultant die niet eens de kern van het probleem onderzocht

Om de werking van de sociale huisvesting te evalueren, deed de Brusselse regering een beroep op de multinational KPMG. Dat bedrijf werd de laatste jaren tot boetes van miljoenen dollars veroordeeld wegens ernstige overtredingen.1. KPMG wordt ook beschuldigd van belastingfraude2. Naast deze twijfelachtige keuze wijst de PVDA met de vinger naar de kosten en de kwaliteit van de door de overheid gevraagde audit.

KPMG is een consultancymultinational die deel uitmaakt van de "big four", vier grote internationale bedrijven - KPMG, Deloitte, PwC en Ernst&Young - die de markt monopoliseren en andere multinationals plannen voor belastingsontwijking op maat verkopen 1. Dit belette de Brusselse regering echter niet om deze consultant in te schakelen om de werking van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM) te evalueren.2

In het Brusselse parlement antwoordde het kabinet van minister Ben Hamou (PS) PVDA-fractievoorzitster Françoise De Smedt dat het uurloon van de consultants 160 euro exclusief btw bedroeg en dat de audit in totaal 218 652 euro exclusief btw kostte. Dit wordt allemaal gefinancierd met overheidsgeld...

Maar voor de PVDA houdt het probleem hier niet op. Het eindrapport van de consultant rept met geen woord over de grote tekortkomingen rond de sociale huisvesting in Brussel. Het lijkt wel of de overheid en de consultants zijn overeengekomen om geen enkel fundamenteel probleem te belichten.

Er stelt zich de fundamentele vraag van de financiële middelen. De regering kondigt al jaren budgetten voor sociale huisvesting aan die uiteindelijk nooit worden besteed. Al die niet bestede budgetten bedragen in totaal 1,5 miljard euro3. Dat is een reusachtig bedrag. Daarover wordt met geen woord gerept in de audit van KPMG en de Brusselse overheid. Volgens de PVDA moet dit bedrag absoluut benut worden, gezien de hoge nood aan betaalbare huisvesting.

De audit vermeldt niet eens dat de sociale woningen aan een zeer traag tempo worden gebouwd. Dat hoofdprobleem zou nochtans eerst moeten worden aangepakt. De wachtlijst voor een sociale woning wordt almaar langer: meer dan 49.000 gezinnen zijn ingeschreven, hetzij één op de tien Brusselse gezinnen. In 2019 werden 1 360 openbare woningen gebouwd, waarvan slechts 318 sociale. Dat is beduidend weinig. Aan dat tempo duurt het meer dan honderd jaar voor die wachtlijst weggewerkt is... We zijn dan ook zeer veraf van de beloften van de Brusselse regering. Ze vermenigvuldigt de gevolgen van haar aankondiging door luid en duidelijk te verkondigen dat ze "concrete oplossingen zal bieden voor 15 000 gezinnen in afwachting van hun sociale huisvesting".

Hoe verklaren we dat er te weinig sociale woningen gebouwd worden? De openbare instelling die sociale woningen creëert (BGHM) moet nu ook de bouw van "woningen voor middeninkomens" op zich nemen. Men vraagt de BGHM dus om taken uit te voeren die niet prioritair zouden moeten zijn. Die door de BGHM gebouwde woningen "voor middeninkomens" krijgen uiteindelijk een huurprijs die die van de particuliere sector benadert en blijven leegstaan. In 2020 werd slechts 44 % van de BGHM-woningen voor middeninkomens bewoond. De PVDA vraagt dan ook dat de BGHM zich focust op haar kerntaak: echte sociale woningen bouwen en woningen voor middeninkomens herschalen tot sociale woningen. Die zeer praktische oplossing wordt niet eens vermeld in het auditrapport.

Daarnaast stuurt de Brusselse overheid de BGHM in de richting van een samenwerkingsvorm met de privésector: de "sleutel-op-de-deur"-projecten. De regering wil ons doen geloven dat ze sneller sociale woningen wil optrekken. Maar wat levert die strategie op? In het evaluatierapport van KPMG wordt hierover niets gezegd. Uit de cijfers kunnen we niet opmaken dat het beroep op de privésector de bouw van sociale woningen zou bevorderen.

Na al die tekortkomingen vroeg de PVDA om opheldering aan de Brusselse regering. De antwoorden van de Brusselse regering trekken echter noch de keuze van de KPMG-adviseur, noch de inhoud van de KPMG-audit in twijfel. We stellen vast dat als het op huisvesting aankomt, de Brusselse regering zichzelf onvoldoende middelen toekent om de huisvestingscrisis op te lossen. Zonder een koerswijziging staat de Brusselaars dus een nog zwaardere crisis te wachten.