Zolang de fouten die bij het beheer van de crisis zijn gemaakt niet aan een grondige analyse worden onderworpen, riskeren we in herhaling te vervallen

De werkzaamheden van de bijzondere Covid-commissie in het Brussels Parlement worden begin maart afgerond. Er zal worden gestemd over aanbevelingen om "het reactievermogen van het Gewest op toekomstige crises te verbeteren". Die zijn het resultaat van 4 maanden hoorzittingen, onder meer met minister-president Rudi Vervoort (PS) en minister van Volksgezondheid Alain Maron (Écolo). Beiden hebben de kwestie van de politieke verantwoordelijkheden consequent terzijde geschoven en de gemaakte fouten nog altijd niet in kaart gebracht. De PVDA wil het werk van het Parlement voortzetten door middel van een echte onderzoekscommissie, zodat alle lessen kunnen worden getrokken, met name met betrekking tot de tragedie in de rusthuizen. De PVDA dringt ook aan op meer personeel in de zorgsector, op de herfederalisering van het gezondheidsbeleid en op een groter aandeel van de eerstelijns en preventieve geneeskunde bij het beheer van de epidemie.

De coronacrisis verraste de Brusselse regering en veroorzaakte de dood van meer dan 2.700 Brusselaars, waaronder meer dan 1.000 rusthuisbewoners. Afgezien van het gebrek aan voorbereiding op een dergelijke pandemie, maakte het Brusselse Gewest fouten bij het beheer van de epidemie. Het Brussels Parlement heeft vanaf september een bijzondere commissie ingesteld om dit beheer te analyseren en daaruit lessen te trekken voor de toekomst. Daartoe hebben de parlementariërs gedurende verscheidene maanden mensen op het terrein, verenigingen, vakbonden, leden van de administratie en politieke vertegenwoordigers ondervraagd. In die hoorzittingen kwamen belangrijke tekortkomingen en fouten aan het licht die gecorrigeerd moeten kunnen worden, maar nog steeds zijn er schaduwzijden die de Brusselse regering schijnbaar niet bereid is te verhelderen.

Zo hangt er nog een grote waas over de weigeringen om mensen uit rusthuizen te hospitaliseren.

Tijdens de hoorzittingen verklaarde Artsen zonder Grenzen (AZG): tijdens de eerste golf werd aan bewoners van rusthuizen de toegang tot het ziekenhuis ontzegd. Sommigen onder hen overleden ten gevolge hiervan en anderen werd vreselijk leed aangedaan, omdat zij in hun rusthuizen geen gebruik konden maken van beademingsapparatuur of over onvoldoende zuurstof beschikten. Hoewel deze weigeringen blijkbaar geen politiek besluit waren, blijken ze voort te komen uit een vrees voor overbelasting van de ziekenhuizen (zoals in Lombardije). Een vrees die nog werd versterkt door twee bekritiseerde teksten over rusthuisbewoners.

De eerste - en meest verspreide - is een dubbelzinnige paragraaf in een circulaire van Iriscare (de Brusselse instantie voor sociale bescherming, onder verantwoordelijkheid van Alain Maron) die naar de Brusselse rusthuizen werd gestuurd. De tekst kreeg al snel kritiek omdat enerzijds wordt gesteld dat geen rekening moet gehouden worden met de pandemische situatie om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor een ziekenhuisopname, maar anderzijds wordt aangedrongen om de ziekenhuizen te ontlasten. Alvorens te worden ingetrokken, bleef deze alinea ongewijzigd in vier opeenvolgende circulaires. De tweede tekst is een publicatie van de Belgische Vereniging voor Gerontologie en Geriatrie, waarin criteria worden voorgesteld om te bepalen of de ziekenhuisopname van een persoon aangewezen is. Deze tekst werd niet actief naar rusthuizen rondgestuurd.

Tijdens zijn ondervraging in de bijzondere commissie op 4 februari ontkende Alain Maron dat hij op de hoogte was van klachten over weigeringen van ziekenhuisopnames, hoewel die tijdens de hoorzittingen werden bevestigd door AZG, Amnesty en vertegenwoordigers van het personeel van rusthuizen. Na aandringen van de volksvertegenwoordigers verklaarde hij vervolgens dat de circulaire van Iriscare duidelijk was. Hij wou dat aantonen door slechts een ingekorte versie van de alinea voor te lezen, maar toen hem de volledige tekst werd voorgelezen, reageerde hij ontwijkend om vervolgens de schuld te steken op de tekst van de Vereniging voor Geriatrie. En wanneer hij erop gewezen werd dat hij in zijn hoedanigheid van minister de situatie had kunnen ophelderen, bleef hij uiteindelijk het antwoord schuldig. Hij had namelijk kunnen zeggen dat de tekst van de geriatrische vereniging geen rechtsgeldigheid had, of publiek verklaren dat bewoners van rusthuizen in geen geval de toegang tot een ziekenhuis mag worden ontzegd. Dat heeft de federale regering uiteindelijk ook gedaan, na de eerste golf, wat bewijst dat wel degelijk sprake was van een reëel probleem.

Stop het just-in-time crisismanagement en ontwikkel een visie op preventieve geneeskunde

Tijdens hun hoorzitting erkenden Alain Maron en Rudi Vervoort allebei dat er fouten werden gemaakt bij het beheer van de crisis. Zij blijven echter weigeren die te identificeren en negeren ook de kritieken, zowel van de mensen op het terrein als van de PVDA in verband met hun afwachtende houding bij de aanpak van de crisis.

Er wordt hun met name verweten dat zij de ernst van de situatie en van de epidemie lange tijd hebben onderschat. In augustus interpelleerden wij met de PVDA herhaaldelijk over de noodzaak om plaatselijke testcentra op te zetten en vroegen wij om de gezondheidscommissie vervroegd bijeen te roepen. Pas op 26 augustus beantwoordde minister Alain Maron eindelijk onze vragen. In september verklaarde Rudi Vervoort nog dat het moest "afgelopen zijn met de obsessie van sommigen om de curve te doen zakken". Dezelfde maand negeerde Alain Maron waarschuwingen vanuit de ziekenhuizen - zoals Marc Noppen, directeur van het universitair ziekenhuis Jette, in de commissie opmerkte - dat de tweede golf op til was. Ook remde hij de opening van testcentra af, met name in Anderlecht, hoewel de gemeente had aangeboden er een te openen. Begin oktober zei hij nog dat de situatie in de ziekenhuizen niet alarmerend was en ging hij naar Berlijn voor een Europese raad over het klimaat terwijl de gezondheidssituatie in Brussel al uit de hand liep. Was hij vergeten dat hij de minister van Volksgezondheid was?

Toen hem gevraagd werd dit voor de commissie uit te leggen, kwam de minister met tal van excuses en trok hij alle registers open, waarbij hij vaak zijn verdediging wijzigde. Indien hij na de zomer de centra niet sneller had geopend, kwam dat omdat er toen geen behoefte aan was, legde hij uit, verwijzend naar het geringe aantal kandidaten voor de testen die de centra in het begin van de zomer bezochten. Schijnbaar is de minister het beeld vergeten van de eindeloze rijen van mensen die in augustus stonden te wachten om getest worden. En als hij niet had gereageerd op de oproepen van het UZ Brussel te Jette om een testcentrum te openen, kwam dat omdat dit centrum - toch gelegen op het grondgebied van het Brusselse Gewest - niet onder het toezicht van het Gewest maar van de Vlaamse Gemeenschap staat; dat hij bezig was andere aanvragen te behandelen en dat het hoe dan ook weinig had uitgemaakt aangezien het Brugmannziekenhuis vlakbij was. Het Brugmann ziekenhuis was inderdaad vlakbij, met eindeloze wachtrijen. Toen opnieuw vragen op hem afgevuurd werden, legde Alain Maron ten slotte uit dat het op dat moment hoe dan ook niet mogelijk was meer testen af te nemen. De mogelijkheden voor testanalyse, die van de federale regering afhangen, zouden immers ontoereikend zijn geweest.

Maar vandaag staat hij blijkbaar niet langer achter deze just-in-time-strategie, en aarzelt hij niet om de opening van vaccinatiecentra te plannen terwijl de doses vaccin op zich laten wachten. Waarom anticipeerde hij niet op dezelfde manier voor het testen? Waarom duizend excuses verzinnen? Dit gebrek aan vroegtijdig optreden had tot gevolg dat het testsysteem en de contactopsporing snel werd overrompeld en vervolgens letterlijk instortte, waardoor de tweede golf van het virus in de hoofdstad totaal uit de hand liep.

Voor de PVDA is het noodzakelijk om het beheer van de epidemie meer te baseren op preventie en het werk van een lokale eerstelijn, waarbij huisartsen en groepspraktijken worden betrokken. De Indiase deelstaat Kerala kan met name als voorbeeld dienen: In plaats van de besmettingscurve af te vlakken, bestond de strategie van deze staat erin de curve te 'crushen' door een zeer doeltreffende opsporing van de besmettingshaarden. Deze tracing is gebaseerd op de medewerking van duizenden werkers op het terrein die de wijken kennen en in direct contact staan met de bevolking. Heel wat anders dan de door onze overheid bevoorrechte privécallcenters, die moeten instaan voor het contactonderzoek en veel moeite hebben om doeltreffend te werken bij gebrek aan opleiding, middelen en vertrouwen bij de bevolking. Om de epidemie te bedwingen is het absoluut noodzakelijk dat besmette personen snel worden geïdentificeerd en ook worden geholpen zich te isoleren, terwijl hun contacten uit de dagen voorafgaand aan hun besmetting worden opgespoord.

Een onderzoekscommissie is nodig om de verantwoordelijkheden te bepalen

Alain Maron gaf tijdens zijn hoorzitting toe dat de Brusselse regering fouten had gemaakt bij het crisisbeheer. Ondanks de vragen van volksvertegenwoordigers, specificeerde hij echter nooit welke. Ook gaf hij aan dat hij het werk van de bijzondere commissie niet wilde "politiseren", met andere woorden, vooral geen politieke verantwoordelijkheden wilde vaststellen. Dit weerhoudt hem er niet van geregeld de verantwoordelijkheid af te schuiven op de federale regering. Wat zorgwekkend is voor de toekomst: als de verantwoordelijkheden niet worden vastgesteld, zullen er weer fouten worden gemaakt wanneer zich een nieuwe crisis voordoet.

Gezien de herhaaldelijke beschuldigingen aan het adres van de Brusselse minister van Volksgezondheid door de mensen op het terrein dat hij niet of niet tijdig op vragen antwoordt, is het des te noodzakelijker om ieders verantwoordelijkheid te onderzoeken. Marc Noppen, directeur van het UZ Brussel, verklaarde dat hij nooit een antwoord had gekregen van Alain Maron toen hij eind augustus waarschuwde voor de nakende tweede golf, of toen hij voorstelde een testcentrum te organiseren in zijn ziekenhuis. Hij bekritiseerde het gebrek aan interactie met de Brusselse regering en zei overigens tegen de commissie dat er: "Geen enkel contact (was) met de Brusselse autoriteiten: nihil". Sarah Devigne van de CNE (LBC) legde uit dat haar vakbond in de eerste golf nooit een antwoord had gekregen nadat zij vragen had gesteld over het gebrek aan beschermingsmiddelen in de rusthuizen.

De PVDA vreesde geen antwoord te krijgen op de vragen die door de crisis waren gerezen en drong er daarom vanaf het begin op aan dat men een onderzoekscommissie zou instellen die zich met name over de kwestie van de rusthuizen zou buigen. Na vier maanden werk van de bijzondere commissie blijven verschillende vragen nog steeds onbeantwoord en is nog steeds niet duidelijk vastgesteld wie welke verantwoordelijkheid draagt. Hieruit blijkt eens te meer de noodzaak van een onderzoekscommissie met ruimere bevoegdheden dan die van de bijzondere commissie. Om licht te werpen op de fouten die sinds het begin van de pandemie werden gemaakt, heeft een dergelijke commissie de bevoegdheid om mensen te verplichten om onder ede te komen getuigen.

Noodzaak om de zorgsector te versterken door dringende aanwervingen personeel en herfinanciering

Iedereen is het erover eens: we waren niet klaar voor deze pandemie. Overduidelijk kwam dat door het gebrek aan beschermingsmiddelen, dat nog werd verergerd door de vernietiging en het niet vernieuwen van de federale voorraad maskers in 2019. Maar ook vanwege het chronische personeelstekort in ziekenhuizen en rusthuizen. Dit is het resultaat van jaren van bezuinigingen en desinvesteringen in de gezondheidszorg door de opeenvolgende regeringen. Door dit personeelstekort werd het beheer van de crisis in de rusthuizen erg bemoeilijkt, zozeer zelfs dat in sommige rusthuizen het leger als versterking moest worden ingeschakeld.

De aanwerving van verplegend personeel in ziekenhuizen en rusthuizen moet dringend worden gefinancierd. Ook moeten de beroepen in de zorgsector worden opgewaardeerd teneinde een halt toe te roepen aan de leegloop van werknemers uit de sector, die door de crisis alleen maar toeneemt. Tijdens haar bezoek aan de bijzondere commissie benadrukte Carine Rosteleur (ACOD) dat in rusthuizen tegenwoordig alleen een zekere kwaliteit van zorg wordt gehandhaafd doordat het personeel zowel zijn lichamelijke als psychische gezondheid en zijn gezinsleven op het spel zet.

Op het niveau van het Gewest betekent dit dat de personeelsnormen moeten worden herzien; het is van essentieel belang dat het nodige aantal zorgprofessionals wordt aangeworven, in functie van de behoeften van allen en niet van de winsten van enkelen. Het Brussels Gewest startte weliswaar een bezinning op over nieuwe personeelsnormen, maar vooralsnog zonder de vakbonden bij de besprekingen te betrekken. Die vragen in dit verband om een onmiddellijke herfinanciering van 100 miljoen om de nodige aanwervingen en loonsverhogingen te garanderen. Maar tot nu toe maakte de Brusselse regering slechts 7,5 miljoen vrij. Ter vergelijking: in Wallonië en Vlaanderen werden respectievelijk 260 miljoen en 557 miljoen vrijgemaakt.

De herfederalisering van de gezondheidszorg is een evidente noodzaak

Uit de getuigenissen van de mensen op het terrein, van vakbondsmensen tot ziekenhuisdirecteuren en van ambtenaren tot OCMW-managers, werd steeds duidelijker dat het beheer van een zo cruciaal beleid als de gezondheidszorg door negen ministers met overlappende bevoegdheden een absurde situatie was. Zoals AZG in een rapport aangeeft: “De complexe structuur van de politieke verantwoordelijkheden in België betekent dat extra inspanningen nodig zijn om bepaalde potentiële inconsistenties in de strijd tegen een epidemie als die van Covid-19 te ondervangen."

De afgelopen maanden werd dit herhaaldelijk benadrukt in de bijzondere Covid-commissie: in deze crisis, "is iedereen bevoegd, maar niemand verantwoordelijk". Sinds de laatste staatshervorming is de bevoegdheid voor gezondheid verdeeld tussen gewesten, gemeenschappen en de federale staat. Deze opdeling heeft tal van gevolgen, gelinkt aan het gebrek aan duidelijkheid over wie, van de federale regering, de gewesten of de gemeenschappen, waarvoor verantwoordelijk is, zowel voor de actoren op het terrein als voor de regeringen zelf. Zo wees Gibbis, de Brusselse federatie van particuliere rusthuizen, op tegenstrijdigheden tussen de richtlijnen van Iriscare (Brussels Gewest) en een federale circulaire betreffende de verantwoordelijkheid voor het testen van rusthuisbewoners die het ziekenhuis verlaten.

De herfederalisering van de gezondheidszorg is een absolute noodzaak: uiteraard om een doeltreffend crisisbeheer te vereenvoudigen en te vergemakkelijken, maar ook om een einde te maken aan de ongelijkheden tussen werknemers in verschillende delen van het land, door een harmonisatie naar boven van hun arbeidsvoorwaarden.